Me and my character
Susanne Piët

Dat ik nog heel gebleven ben is een wonder. Met mijn nieuwe digitale Nikon camera (me and my camera), sloop ik op een Franse buitenmarkt, een zogenoemde Vide de Grenier, achter een schilderachtige reuzin aan, geheel uitgevoerd in luipaard-dessin, om haar forse blote schouder hing een opzichtige suede tas waaraan op zijn beurt een hondjesknuffel, die mij vooral opzien baarde gezien de combinatie van het (amper) levende, amechtig hijgende keffertje op haar arm. Ik kreeg die combi van honden niet goed voor mijn lens, dus draaide ik als een stalker om haar heen. Geen wonder dat ze haast wilde meppen. Mijn vraag welke van de twee nu haar echte knuffel was werd in de kiem gesmoord, gelukkig maar, want wat is het Franse woord voor knuffel? Chifonnet?

Het project Me and my character van Platform21 in Amsterdam, ging strikt gesproken niet noodzakelijk over knuffels. Toch zijn de meeste inzendingen van een knuffelachtig soort geworden. Ook het Nederlandse woord knuffel heeft misschien taal-invulling nodig: ik versta er een aaibaar aanraakbare vorm onder die leven wordt toegedicht ofschoon het niet ademhaalt, poept of eet, met een ziel ofschoon het niet kan praten, waarmee een potentiele bezitter een liefdesrelatie onderhoudt. Kritisch ijkpunt voor de echtheid is het antwoord op de vraag of de knuffel in bed mag slapen.

Voor mij aan de benzinepomp stond een zwarte SAAB 9.3i cabriolet op de brandstofvoorziening waarvan ik moest wachten. Scherpe observatie kostte dus geen extra inspanning. Eruit stapte een knappe gebruinde man in scherp jasje en een Replay broek waaruit kwieke kuiten staken. Hij ging tanken. Vervolgens bleek er nog een man in de auto te hebben gezeten. Hij toonde bij uitstappen een hippe spijkerbroek en een ook al helemaal okay cashmere truitje over een t-shirt. Jonge oudere man (of andersom) met lange sluike jongensharen. Hij opende de kofferbak, waarin keurig naast elkaar opmerkelijk mooie leren reistassen lagen. Hij opende er een en haalde er iets uit. Zag ik het goed? Nee echt, het was een teddybeertje. De jongeman van oudere leeftijd stopte het diertje onder zijn t-shirt (en trui dus). Keek tersluiks even links en rechts alvorens hij bedaard de Saab weer instapte. Ik heb later nog gecheckt of zich achterin misschien kinderen bevonden. Nee, dus.

Knuffels zijn in. Jong en oud, arm en rijk, hip of ouderwets lopen kennelijk onbekommerd en sans gene rond met knuffeldieren, nemen ze mee op reis en wat nog opmerkelijker is: ze hangen ze zichtbaar aan kleding, accessoires en aan belangrijke bezittingen als auto’s, camera’s en computers. Je schaamt je niet voor je kindergedrag, de miniknuffels verschaffen je zelfs status.

Je bent dus beschermd en intiem met je knuffel, je figuur of je monster en weet je tegelijkertijd zeker als bij de tijd en glamourous. Die combinatie vormt markttechnisch een interessante propositie, een garantie zelfs voor mainstream bereik. De mens is namelijk in de psychologie ondermeer gekenschetst als een comfortseeker en zijn comfortzone vraag altijd om een verzoening van de twee uiterste behoeftes die hij koestert: veiligheid en uitdaging, rust en spanning, uniek zijn en erbij horen, intiem en glamourous et cetera…

De knuffel varieert uiteraard in vorm (zo kun je uniek zijn en erbij horen immers) , maar voorwaarde is vooral de suggestie van levensechtheid, waarvoor naar is gebleken minimaal een paar ogen (knopen, punten et cetera) moeten worden aangebracht. Ballen met twee knopen vormen een adequaat minimum. Oogcontact is dus een. De materie moet verder rul of wollig zijn: badstof, bont, harig zijn favoriet. Aaibaarheid of aanraakbaarheid is basisvoorwaarde nummer 2. Zo ontstond bijvoorbeeld de populariteit van de Wuppie tijdens de wereldkampioenschappen voetbal.

De knuffeltrend is breed en alom. Dat Aldi en Albert Heijn op zulke hypes in springen begrijp je nog wel, maar ook de dure merken generen zich kennelijk niet. De knuffelbehoefte is dus van iedereen en alle portemonnaies.

Hoe verklaar je die behoefte? In mijn boek De Emotiemarkt (2003,Pearson Amsterdam) heb ik gesignaleerd dat de nieuwe consument, gedreven door zijn verlangen naar geluk en zijn verwachting dat te kunnen realiseren door juiste aankoopkeuzes, door de jaren heen, sinds plusminus 1990 een ontwikkelingsgang doormaakt in de training van zijn emotionele huishouding. Fase 1 van de emotiemarkt was de babyfase, fase 2 was de kinderfase et cetera. De emotiemarkt verkeert nu in de puberteit en die fase verklaart ook een honger naar het vormgegeven en neerzetten van een identiteit. Dankzij internet, maakbaarheid en consumptiedwang heerst die honger viraal, massaal en wereldwijd.

Er is een dringende behoefte aan de maakbaarheid van een beleefbare identiteit, die dus zou suggereren dat je bestaande identiteit geen tevredenheid oproept, typisch een ervaring van pubers. De hunkering naar een makeover, ook mentaal, zie je aan de nieuwe liefdes, de tweede legs, de nieuwe banen, de trend van emigreren, verhuizen, huizen opnieuw inrichten. Waarschijnlijk komt een en ander voort uit de afzwering van de kerk en de burgerlijke overheid, die immers voorzag in rites voor nieuwe levens: de biecht, de doop, het huwelijk, alles met veel wit, wassing en nieuwe namen.

De noodzaak van een nieuwe identiteit komt ook voort uit het feit dat vrijwel iedereen op de een of andere manier geconfronteerd wordt met het innerlijke conflict te leven in meer dan een cultuur, met dus ook meer dan een loyaliteit: je bent al gauw een culturele nomade.

Het kleine meisje dat ofschoon ze ieder weekeinde bij haar vader ging logeren haar kamertje niet mocht inrichten: ze nam in haar tas een ongelooflijke hoeveelheid sierraden, accessoires en knuffels mee, die ze zodra ze was aangekomen installeerden op de smetteloze nachtkasjes en vensterbanken van haar vaders vriendin. Zo was ze toch nog degene die ze was. Voorbeelden te over dus: kinderen van gescheiden ouders? Immigrantenkinderen? De organisatieman met zijn stropdas en smile die thuis zichzelf zoekt? Somaliers die maar een achternaam moeten verzinnen zodra ze in Nederland komen: het Hirsi Ali Complex? Of het Tiger Woods Dilemma: hij is een kind uit vele soorten bloed, maar in zijn paspoort moet hij kiezen uit twee smaken: Caucasian of Afro American. He is neither, maar zet een kruisje.

Het kiezen van een identiteit is voor velen een must, omdat hun werkelijkheid aanleiding geeft tot identiteitscrisis. Je wereld vergt iets van je wat je eigenlijk niet bent; het leven met een incongruente combinatie van buitenbeeld en binnenbeeld leidt vaak tot onzekerheid of erger,soms weten mensen de varianten niet meer bij elkaar te houden. Niet zelden variëren zij hun identiteit, selon le marché wel een paar keer per dag. Misschien dat je zo spelenderwijs een verbinding met jezelf en anderen aangaat…Je kunt ook kiezen voor een echt leven via een voor velen herkenbare virtuele wereld, bijvoorbeeld als een Manga. Zo kun je zelfs een manga-artist worden, die Manga identiteiten maakt als lid van een virtuele community.

Waarschijnlijk moeten we in deze tijd van beeldcultuur en digitalisering/anonimisering allemaal wel leren om onszelf neer te zetten en vooral: met onszelf bevriend te raken…

Parallel daaraan speelt er angst om verantwoordelijkheid te willen nemen als deelnemer aan de wereld. Veel volwassenen prolongeren als consument graag hun kindertijd. Zij eten kindervoedsel, gedragen zich als verwende kinderen, ik wil, ik wil, zijn uit op kicks en genieten en schenken meer liefde en aandacht aan hun huisdier of hun knuffel dan aan hun bejaarde moeder of hun lastige kind.

Houden van is natuurlijk ook een probleem, als je het bovenstaande beschouwt. Het aangaan van een commitment met een mens is inherent aan het nemen van gigantische risico’s die met geen verzekering zijn af te dekken. De meeste mensen hebben al een trauma opgelopen in hun kindertijd (gescheiden ouders) en dan is er ook nog een flink percentage dat de twee opdoffer kreeg in een huwelijk of relatie. Ook eigen bloed bied je geen garantie voor onvoorwaardelijke liefde, wat de soap moraal je ook vertelt. Daarom kun je beter naar soaps kijken en er door getroost worden en vervolgens een merchandising pop nemen van een van je iconen eruit. Of een knuffel. En liever een van eigen makelij, want die is haast je tweede zelf.

De wereld is vol dreiging, de mensheid wordt (mede dankzij deze ontwikkeling) steeds harder en het valt ondanks alle aanbiedingen op de markt, al het lekkers, alle kicks, alle amusement, nog echt al niet mee om van je leven een geluksproject te maken, zelfs als je je verantwoordelijkheid, geweten, etiquette en zorgen in een vriesla stopt. Ook dan is het al hard werken om te overleven.

In deze fase van de Belevingseconomie is het begrijpelijk dat het nu juist aan de orde is: je zelf vorm geven en acceptabel, beleefbaar maken door het scheppen van virtueel levende characters.

Net als bij de andere zoogdieren lijkt spel voorwaarde voor overleving. En beleving is een eigentijdse variant van overleving.

Er bestaat haast geen loyaliteit meer, luister maar eens naar de klaagzang van de vakbeweging, de politieke partijen, de kerk, de ideële organisaties. Kijk maar eens naar de reclame inspanningen van benzineverkopers, supermarkten en andere groothandels, ze laten je plakken als gekken en creëren zo de enige loyaliteit die betrouwbaar is: maar die heet dan ook verslaving. Even cynisch dan: De grootste loyaliteit vind je in de kroeg en bij de methadonbus.

Loyaliteit is schaars en consumenten zijn, zo zeggen marketeers zelf, schizofreen. Geen wonder met dat gegoochel tussen binnen en buitenbeeld. Me and my character is voor mij een prachtig project omdat de samenleving precies toe is aan het trainen in het aangaan van verbindingen met jezelf en met elkaar. Geen vrijblijvende, maar met commitment. Als je met jezelf bevriend bent, zo eindig ik ook mijn boek de Emocode 2006, Pearson, Amsterdam) , kun je weer heel worden. Hoe je dat doet: die gefantaseerde tweede is maar een ministapje verwijderd van je bewustzijn. Je kunt met jezelf een dialoog voeren, jezelf als reisgezelschap meenemen, jezelf over grenzen heen helpen, je zelf moed inpraten. Dat je daarvoor een beeld wilt maken, zoals een knuffel of een ander voor jou levend type met een persoonlijkheid: bijna de mooiste methode om je tweede ik op te projecteren!

Terug naar archief